De legende van de dromenvanger

iktomi

Er wordt een spannend verhaal verteld. Met gespitste oren, grote ogen en met de mimiek van het verhaal op hun gezicht, luisteren de kinderen naar hun leerkracht… Als ze de kunst van het vertellen of voorlezen goed beheerst, is dit een krachtige opening van een cultuurles. De vragen die de onderstaande legende oproept, zijn aanleiding voor verder onderzoek en vervolgopdrachten binnen cultuuronderwijs.

Groep 3 is in de ban van verhalen. Over stoere ridders, mooie kastelen en enge monsters. Ze smullen van de mythe van de Minotaurus en de fabel over ‘De leeuw en de muis’. Ook hebben ze geleerd wat een legende is en kennen ze de verhalen van Robin Hood en Wilhelm Tell. Op een dag vertel ik deze legende…

‘De legende van de dromenvanger’ gaat over Lakota die op een hoge berg stond. Hij kwam daar Iktomi, de spin, tegen en ze raakten in gesprek. De spin was bezig met een web. De hele tijd dat de spin aan het woord was, ging hij door met het weven van zijn web waarbij hij aan de buitenkant begon en langzaam naar het midden werkte. Toen Iktomi klaar was met spreken, gaf hij het web aan de oude wijze Lakota en zei: “Zie, het web is een volmaakte cirkel, maar er is een gat in het centrum van de cirkel. Gebruik het web om jezelf en anderen te helpen.”

Tot op de dag van vandaag hangen indianen de dromenvanger in huis of boven hun bed. Het goede in hun dromen wordt gevangen, maar het kwade in hun dromen ontsnapt door het gat en is niet langer een deel van hen. Zij geloven in de dromenvanger.

Alle kinderen zitten op het puntje van de stoel en zijn gegrepen door dit verhaal. Ik vraag: hoe ziet volgens hen een dromenvanger eruit? Waar zou deze van gemaakt kunnen zijn? Ze zijn enthousiast als verteld wordt dat ze zelf deze dromenvanger mogen maken om alle goede dromen te vangen en alle slechte dingen door het gat te laten verdwijnen. Dag in dag uit gaan alle kinderen van groep 3 aan de slag met hun eigen dromenvanger… Er wordt gewerkt met verschillende materialen. Sommige kinderen maken een grote. Anderen maken een kleine dromenvanger met hun lievelingskleuren en hangen er eigen, betekenisvolle voorwerpen aan.  Maar elke dromenvanger heeft een gat gekregen.

En nu? Nu schitteren die dromenvangers thuis bij alle kinderen boven het bed. Wat vangt hun dromenvanger op? En wat laat hij verdwijnen? Wordt vervolgd…

Marlous van Schijndel, leerkracht BS De Klimboom

Kunst van thuis

kunst_van_thuisHet IPC thema in groep 7/8 gaat over kunst. De rode draad in alle lessen is het anders kijken naar je vertrouwde wereld. Dit thema vraagt om een inspirerende, ‘out-of-the box’ opening! Voor een vliegende start schakelen duo-juffen Janneke en Helga kunstcoach Marijke Liefting in. Er is nog precies één week te gaan voor de opening van het thema…

De ouders krijgen een mail met het verzoek om in het diepste geheim een kunstwerk van thuis mee naar school te smokkelen. De kinderen mogen niets weten! Het is spannend of we wel genoeg kunst zullen ontvangen en of er misschien een kostbare Van Gogh van zolder opduikt.

Op maandag blijkt dat we meer dan genoeg werken hebben. En wat een variatie! In de pauze stellen we alle kunst op en verbergen ze onder doeken. Als de kinderen ’s middags de klas in komen zien ze alleen silhouetten. Juf Janneke denkt dat het geheim is uitgelekt maar het tegendeel blijkt waar, als we beginnen.

We doen een omschrijving-spel. Een leerling mag voor de klas een kunstwerk bekijken zonder het te onthullen. De andere kinderen kijken via de ogen van deze leerling, die omschrijft wat hij ziet. Alle andere leerlingen tekenen op zijn of haar aanwijzingen het kunstwerk na. Daarna mag de doek van het kunstwerk, de onthulling! Klopt het met je tekening?

Het eerste kunstwerk is een dinosaurus van papier-maché. Een jongen roept: ‘Wij hebben er ook zo één thuis! Maar dan met andere kleuren.’ We spelen door. Het omschrijven is een lastige klus: wat vertel je en in welke volgorde, zodat de tekeningen gaan kloppen? Het tweede kunstwerk wordt niet herkend. Later bleek dat het altijd in de kelder staat! Het derde kunstwerk, een beeldje uit Indonesië, wordt zeker herkend en uitvoerig beschreven door een meisje. Alleen denkt zij nog steeds, dat dit een kopie is van het beeld bij haar thuis. Dan verklappen we toch maar, dat moeder dit stiekem hier heeft afgeleverd.

Ter afwisseling van het beschrijven, kun je het kunstwerk een minuut tonen en de kinderen goed laten kijken. Daarna verdwijnt het weer onder het doek en gaan de kinderen tekenen wat ze hebben onthouden.

Daarna laten we de kinderen kennismaken met kunstenaars die de wereld ook net een tikje anders zien. We bekijken een foto waarop Baselitz aan het werk is. De kinderen noteren allerlei zaken die ze opvallen en dat zijn er veel! Meest gekke: dat hij ondersteboven werkt. Van Rob Scholte bekijken we de achterkanten van borduurwerken van Vermeer. Van Kusama bestuderen we de ‘stickerkamer’. Hoe laten deze kunstenaars je anders kijken?

Terug naar onze eigen kunst. Afsluitend vragen we de leerlingen om in een aanwezig kunstwerk te kruipen en daar een creatief verhaal bij te schrijven. Wat ruik je, wat hoor je, wat voel je, wie kom je tegen, wat gebeurt er, welk probleem moet jij oplossen? Als de ouders dat lezen, zullen zij ook eens heel anders tegen hun kunstwerk aankijken!

Marijke Liefting, kunstcoach (www.marijkeliefting.nl)

De zielenvisserij

De_zielenvisserij

Onderzoek begint bij nieuwsgierigheid. Deze docent geschiedenis prikkelt haar mavo-2 klas om actief en langdurig te kijken naar een schilderij. Haar leerlingen gaan vanzelf vragen stellen aan zichzelf en aan elkaar. De betrokkenheid bij een complex onderwerp wordt ‘aangezet’.

‘De opstand in De Nederlanden’, oftewel ‘De tachtigjarige oorlog’, is een onderwerp dat tijdens mijn geschiedenislessen voor de tweedejaars aan bod komt. Om dit onderwerp in te leiden, maak ik gebruik van het schilderij ‘De zielenvisserij’ uit 1614. Een afbeelding is te vinden op de website van het Rijksmuseum.

‘Wat zie je?’ is de eerste vraag aan de leerlingen. Ze buigen zich in kleine groepjes over een print van dit schilderij en schrijven zo veel mogelijk zaken op die ze zien. Ik stimuleer ze om dit te doen onder interpretaties of verklaringen te geven en om zoveel mogelijk te noemen.

“Ik zie een rivier met bootjes en mensen die hierin willen.”

“Ik zie een regenboog.”

“Ik zie twee oevers met heel veel mensen. Ze hebben ‘ouderwetse’ kleren aan.”

“Op iedere oever staat een boom. Hé! De boom op de rechteroever ziet er anders uit dan de boom links..”

Na het uitgebreid opsommen van waarnemingen stel ik de vraag:

“Wat denk je daarbij?”

Allerlei verklaringen passeren de revue en zorgen voor discussie. Zou het iets met geloof en doopsel te maken kunnen hebben? Of een overstroming? De leerlingen zijn nieuwsgierig naar de ‘echte’ verklaring. Ze stellen zichzelf vragen zoals “Wie zijn de mensen op de twee oevers? En: “Wat doen de bootjes daar?”

Ik vertel dat het schilderij ‘De zielenvisserij’ heet en dat de mensen op de twee oevers katholieken en protestanten zijn. Kunnen de leerlingen ontdekken bij welke groep de schilder zelf hoort? Ja hoor, dat kunnen ze wel!

Binnenkort staat er een bezoek aan het Rijksmuseum gepland. Ik ben benieuwd hoe de leerlingen gaan reageren als ze dit schilderij in het echt gaan zien!

Mayke Eckhardt, docent geschiedenis bij het Jan Tinbergen College in Roosendaal

De mummie van Christo

mummie

Als ze met haar onderbouwgroep het thema Het Oude Egypte verkent, merkt Dymph van Griensven dat de betrokkenheid van de kinderen de kant van mummies op gaat. Ze besluit een mini-les over mummies te improviseren. De leerlingen verbazen zich erover dat ook katten ingepakt werden. Ze gaan zelf aan de slag en pakken hun knuffels in. Het project eindigt met een levensechte tentoonstelling.

“Ik wil de auto van mijn vader wel inpakken en over de wolken crossen,” vertelt een leerling tijdens een kringgesprek.

“Dat kan helemaal niet, dat is veel te groot!” reageert een ander.

“Wel waar, dat kan wel!” zegt de leerling.

Kun je álles inpakken? Ik laat de groep afbeeldingen zien van het werk van kunstenaar Christo. Hij staat bekend om zijn ‘inpakkunst’ en heeft grote gebouwen en bruggen ingepakt. Er gaat een wereld voor ze open.

“De lucht kun je niet inpakken!” reageert er een. “Jawel hoor,” roept een andere leerling, “met een ballon.” De groep gaat helemaal los.

Egypte raakt op de achtergrond; iedereen gaat van alles inpakken. Wat zie je? Wat voor een vorm heeft het voorwerp? De leerlingen raken in de ban van contouren, ze voelen en ruiken, alle zintuigen komen aan bod.

Mijn groep sluit het thema af met een tentoonstelling. Er worden rondleidingen gegeven en leerlingen vertellen over het werk van Christo. Eén leerling heeft zichzelf met wc-papier als mummie ingepakt en gaat twee uur doodstil op een stoel zitten met een bordje erbij: levende kunstenaar-mummie, nu zie je mij anders!

Dymph van Griensven, leerkracht primair onderwijs

Wie past er op Lodewijk?

lodewijk

Het verhaal van Astrid Albers begint met een probleem en kan daardoor ook binnen de categorie ‘openen met een incident’ vallen. Maar uiteindelijk zorgt de educatie er voor dat een kunstwerk van een dier zó levensecht wordt voor de kinderen, dat dit verhaal een beetje triest eindigt…

Een ansichtkaart komt wordt bezorgd bij de kleuters. De kaart is van kunstenaar Peter Bastiaanssen. Zijn hond Lodewijk past op het huis, want zijn baasje is op vakantie. Maar wie past er op Lodewijk?

De kinderen willen dat wel doen! Ze brengen een bezoek aan de tentoonstelling die op school is opgebouwd. Peter Bastiaanssen heeft een eigen wereldje gecreëerd met een tafel, stoeltjes, een kachel met koffiepot, een schilderij, een koekoeksklok, een grote goudvis en een hond op een kleedje. Alles is van hout en heel groot.

In de tentoonstelling speelt, net als in al het andere werk van Peter, zijn hond een grote rol.

De kleuters hebben allemaal iets voor Lodewijk meegenomen waarvan ze denken dat hij daar blij van wordt: een tekening, speelgoed van klei, een riem, een vriendje, een bot, hondenbrokjes, Unox rookworsten enzovoort. Dat Lodewijk een houten beeld is, maakt geen enkel verschil voor hun beleving. Als de tentoonstelling wordt afgebroken en Lodewijk in een houten kist de school uit wordt gereden, barsten sommige kleuters in tranen uit omdat ze het zo zielig vinden!

Astrid Albers, werkzaam bij Kunstbedrijf Arnhem

De koffer van de meester

cropped-sam2.jpg

Tijdens zijn stage nam Jillis Verbeek elke dag een koffer mee naar groep 1/2. Iedere dag zat er iets anders in dat aansloot bij de activiteiten van die dag. De koffer verbeeldde voor hemzelf, en ook voor de kleuters, de gastrol die hij ‘speelde’ als stagiair bij deze groep. Al snel was hij voor hen ‘de meester met de koffer.

“Meester, heb je de koffer weer bij je? Wat zit er vandaag in?”

Iedere dag stelden de leerlingen deze vragen. En iedere dag zat er iets anders in mijn koffer.

Bij taallessen kwam er een letter uit. De letter(greep) ee zat onder het zand op de bodem van de zee (in de koffer). Arie de Letterkanarie, onderdeel van lesmethode ‘Villa Letterpret’, dook onder water om de ee op te duiken.

Ook kwam er een keer een spannende schatkaart uit de koffer. De kleuters moesten op zoek naar de drie geheime woorden door goed te kijken wat er op een drietal plaatjes was afgebeeld, van bovenaf gefotografeerd. Fiets, boot, katten.

Bij rekenen had ik een grappig aapje in de koffer gedaan. Slaapaap heette hij. Ik vertelde dat ik eigenlijk Rekenaap had uitgenodigd om mee te komen, maar die was zo druk met rekenen dat hij Slaapaap stuurde om mij te helpen bij de lessen. Maar Slaapaap sliep natuurlijk de hele tijd, liggend in de koffer. Voordeel was dat ik de kleuters zelf aan het werk kon zetten met rekenen, in stilte om Slaapaap niet wakker te maken.

De koffer bood de kinderen iedere dag een spannend vooruitzicht, waardoor ze langer gemotiveerd bleven voor een les.

Jillis Verbeek, leerkracht primair onderwijs

De echokoffer

kleinebeverecho

Na het voorlezen van ‘Kleine Bever en de echo’ speelt de koffer van de meester een belangrijke rol om groep 1/2 te enthousiasmeren en een eenvoudig ritme te laten klappen. Zo leuk is muziekonderwijs! 

Ik zet mijn koffer midden in de kring. Het is een heel bijzondere koffer, let maar eens op…

Ik roep “Haaallo!” in de koffer en luister dan aandachtig of ik iets hoor.

Hé, wat vreemd, ik hoor niks, het blijft stil.

Ik roep nog eens: “Haaaaallo!” Horen we nu iets? Ik luister weer aandachtig. Dat gaat zo even door.

Op een gegeven moment zijn er kinderen die “hallo” terugroepen.

Hé, hoor ik dat goed? Een echo! Ja, mijn echokoffer doet het weer! Mijn vriendje is terug! Eens even kijken wat hij nog meer kan.

Ik roep van alles in de koffer, wat de leerlingen vervolgens nadoen. De ene keer heel hard, de andere keer fluisterend.

Daarna laat ik enkele kinderen in de koffer roepen. Doet de koffer het nu ook?

Ik klap boven de koffer. 1x, 2x, 5x… De kinderen doen dit na. Dan klap ik een aantal keer snel en de kinderen doen dat ook na. Vervolgens klap ik een paar keer heel langzaam, en zo ga ik allengs naar het klappen van een simpel ritme.

Als dat gelukt is, mogen de kinderen één voor één in de echokoffer klappen, en klapt de groep het ritme na.

Jillis Verbeek, leerkracht primair onderwijs