De wandeling en de wens

Met een goed verhaal kun je bij kinderen altijd wel binnenkomen. En zeker als ze zelf mogen bedenken wat er gebeurt! Deze fantasiewandeling bevat kleine muzikale theateropdrachten en creatieve vragen voor onderweg. Ook eens proberen? Als leraar kun je de route uitstippelen, maar vergeet niet om af en toe een onbekend paadje in te slaan.

We gaan allemaal in een kring staan. Ik vertel dat we langs een meer lopen, over een strand. We voelen het zand onder onze voeten. Plotseling zakken we weg in een kuil! Hoe laat je zien dat het pijn doet? De kinderen huilen, pakken hun voet beet en maken pijnlijke gezichten. We gaan verder…

We lopen verder. Mijn voet voelt iets hards. Wat is dat? “Een beker!” roept een kind. Er zit een briefje in: “Als je deze tinnen beker vindt: wrijf erover, zing en doe een wens!” De kinderen zingen op de melodie van “Altijd is Kortjakje ziek” de volgende tekst: “Als je deze beker vindt, doe een wens en wrijf je lens!”

Het meer begint te borrelen. Hoe maken we samen dat geluid? Harder en dan weer zachter…Dan verschijnt er een gezicht in de mist. “Ik ben de Geest van de Afgraving, wie komt mijn rust verstoren?” We mogen een wens doen. Wat is onze wens? “Ik wil schaatsen over het bevroren meer!” roepen ze. “Hoe ziet dat eruit?”, vraag ik. We trekken allemaal onze nieuwe schaatsen aan en schaatsen over het meer! Joehee!

wandeling_en_wensLilian van Overbeek, vakdocent drama

Le corbeau et le renard

Afbeelding

le_corbeau_le_renard

De creatieve docent Frans in dit verhaal zoekt iedere zondagavond filmpjes om haar lessen van die week te verrijken: van Stromae tot een stukje cabaret. Haar leerlingen worden uitgedaagd om alternatieven te bedenken voor bijvoorbeeld het einde van een Franse fabel. Breder geformuleerd: gebruik een creatief fabricaat van een ander als grondstof voor je eigen versie!

Als start van de les geef ik de leerlingen de Franse tekst van de fabel ‘Le corbeau et le renard’ (De raaf en de vos), een van de bekendste fabels van de Franse fabeldichter Jean de la Fontaine (1621-1695).

Ze krijgen van mij een vel met opdrachten met vragen zoals ‘Vertel wat er gebeurt’ en ‘Leg uit wat de schrijver wil zeggen met dit verhaal’. Standaard opdrachten waardoor ze zich gaan verdiepen in de tekst en de Franstalige woorden waaruit deze bestaat.

Tot slot stel ik de vraag: “Hoe zou dit verhaal ook kunnen aflopen?” De leerlingen worden uitgedaagd om zelf een andere versie van de fabel te bedenken. Alles is mogelijk. Om ze te inspireren laat ik een fragment zien van Hans Teeuwen, wat flink wat beroering veroorzaakt.

De fabel krijgt meer betekenis voor de groep en de les wordt hierdoor een stuk vrolijker. De leerlingen ontdekken dat je een verhaal ook helemaal naar je eigen hand kan zetten. Het levert prachtige, absurde verhalen op.

Ilse Issendoorn, docent Frans bij het Jan Tinbergen College in Roosendaal

De koffer van de meester

cropped-sam2.jpg

Tijdens zijn stage nam Jillis Verbeek elke dag een koffer mee naar groep 1/2. Iedere dag zat er iets anders in dat aansloot bij de activiteiten van die dag. De koffer verbeeldde voor hemzelf, en ook voor de kleuters, de gastrol die hij ‘speelde’ als stagiair bij deze groep. Al snel was hij voor hen ‘de meester met de koffer.

“Meester, heb je de koffer weer bij je? Wat zit er vandaag in?”

Iedere dag stelden de leerlingen deze vragen. En iedere dag zat er iets anders in mijn koffer.

Bij taallessen kwam er een letter uit. De letter(greep) ee zat onder het zand op de bodem van de zee (in de koffer). Arie de Letterkanarie, onderdeel van lesmethode ‘Villa Letterpret’, dook onder water om de ee op te duiken.

Ook kwam er een keer een spannende schatkaart uit de koffer. De kleuters moesten op zoek naar de drie geheime woorden door goed te kijken wat er op een drietal plaatjes was afgebeeld, van bovenaf gefotografeerd. Fiets, boot, katten.

Bij rekenen had ik een grappig aapje in de koffer gedaan. Slaapaap heette hij. Ik vertelde dat ik eigenlijk Rekenaap had uitgenodigd om mee te komen, maar die was zo druk met rekenen dat hij Slaapaap stuurde om mij te helpen bij de lessen. Maar Slaapaap sliep natuurlijk de hele tijd, liggend in de koffer. Voordeel was dat ik de kleuters zelf aan het werk kon zetten met rekenen, in stilte om Slaapaap niet wakker te maken.

De koffer bood de kinderen iedere dag een spannend vooruitzicht, waardoor ze langer gemotiveerd bleven voor een les.

Jillis Verbeek, leerkracht primair onderwijs

James en de 40 wezens

james

Tijdens een dramaworkshop verbeelden de leerlingen zich dat zij terechtkomen op de planeet waar James met zijn reuzenperzik is geland. Dramadocent Lilian van Overbeek doet de leerlingen, zogenaamd nonchalant, een voorstel dat een ‘brainstorm’ aan ideeën uitlokt.

We liggen in een kring, rondom een stuk papier. “Volgens mij kunnen we wel 20 wezens verzinnen die James kan tegenkomen op die planeet!” zeg ik.

“Mogen het ook niet-bestaande wezens zijn?” vraagt een leerling. Dat mag.

De kinderen verzinnen minstens 40 niet-bestaande wezens, die ik allemaal op het papier schrijf.

Daarna leg ik rollen zilverfolie klaar. De leerlingen mogen een stuk zilverfolie gebruiken om een ademhalingsapparaat of lichaamsdeel mee te maken. Sommigen verzinnen dat ze via hun heup kunnen ademhalen, anderen ademen via hun kruin. Er ontstaan prachtige, originele wezens met bijzondere bewegingen en geluiden.

Lilian van Overbeek, vakdocent drama

Gedicht van Sam en Lieke

Dromen in mijn bed

Dat is dolle pret

Dan droom ik over een koe

En die zegt boe (en die is meestal moe)

Dan ga ik naar het paradijs

En dan op reis

(En dan) met de trein naar Parijs!

Op school wordt in groep 4 gewerkt aan gedichten. Die middag komen ouders kijken, dus de kinderen willen er iets moois van maken. Maar hoe kun je van een gedicht nu iets  maken dat leuk is om naar te kijken en te luisteren? 

De kinderen willen heel graag een gedicht rappen. Ze kiezen één gedicht uit. Het gedicht van Sam en Lieke. Dan vraag ik of ze in groepjes alle plekken kunnen uitbeelden die in het gedicht genoemd werden. Alle kinderen gaan druk aan de slag en oefenen verschillende houdingen. Daarbij moeten ze het bijbehorende stuk tekst in een ritme zingen. Hard of zacht. Snel of langzaam. Aan het eind van de workshop laten de groepjes aan elkaar hun ‘rapversie’ van het gedicht horen en zien. En het publiek zit op het puntje van de stoel!

Lilian van Overbeek, vakdocent drama

Levende poppen

levende_poppenSoms heb je met je hele team een creatieve workshopmiddag gepland. Je ontwikkelt zelf ook een les voor je groep, binnen een specifiek kunstvak. Dat kost tijd. En die heb je eigenlijk niet. Lilian van Overbeek laat zien dat het ook anders kan, als je lef hebt!

Buiten was het grijs en het miezerde. De kinderen van groep 5/6 kwamen binnen voor hun theaterworkshop. Ze gingen tikkertje doen tussen de blokken die ik had klaargezet.

Een meisje klom op een blok en ik zette heel rustige muziek op van Kitaro. En ik wachtte af.

Het meisje begon in slow motion te bewegen. Ik wees de andere kinderen op haar bewegingen, wat zou ze aan het doen zijn?

Een leerling verzon dat ze een pop was die langzaam tot leven kwam. Dat wilden de andere kinderen ook wel zijn. We zetten nog meer lange blokken verspreid over de vloer, en alle kinderen verzonnen een eigen manier om erop en eraf te komen. Elke pop kreeg een eigen karakter. Ze ontdekten steeds meer manieren om in slow motion van de blokken af te komen.

De hele les draaide om de poppen die tot leven kwamen.

Lilian van Overbeek, vakdocent drama